5 september 2016

Vandaag is dan echt de eerste officiële schooldag van mijn jongste. Die was officieel vorige week, maar toen bestond de week louter uit het halen van een rooster en een kennismakingskamp van drie dagen. Dat kun je natuurlijk niet het echte schoolwerk noemen. Dus kwam vandaag alsnog die eerste officiële dag. De dag dat ze achteroverhellend met een zware tas op haar rug in de gang staat. Gespannen, maar vooral gedecideerd en resoluut. Ik geef snel nog wat ongevraagd moederlijk advies, ‘geloof altijd in jezelf’, voordat ik haar de grote wereld in slinger. Naast me staat mijn moeder. Ze is er al achttien jaar niet meer. Ze kent het leven dat ik nu heb niet, evenals mijn kinderen, en toch is er ze er altijd bij.

Nieuwe herinneringen aan mijn moeder komen met de mijlpalen van mijn kinderen. Ik dacht niet eerder aan hoe ik mijn eerste middelbare schooldag beleefde totdat mijn oudste vier jaar geleden brugklasser werd. Ik hielp hem zijn zware tas op zijn fiets binden en zwaaide totdat hij al lang de hoek om was en de straat uit, zijn nieuwe leven tegemoet. Dertig jaar geleden stond mijn moeder ook zo, hard zwaaiend terwijl ik de nieuwe wereld die voor mij openlag betrad. Mijn lichtblauwe schooltas had ze net daarvoor samen met mij op mijn fiets gebonden. Drie pogingen waren er nodig geweest, de snelbinders waren bijna niet opgewassen tegen al dat boekengeweld. Terwijl ik wegfietste voelde ik me lichter worden. De grip van mijn moeders hand in mijn nek werd losser. Los genoeg om mij zelf mijn keuzes en fouten te laten maken, vast genoeg om me op te vangen als dat nodig was. Door haar hand durfde ik vol, maar vooral vastberaden het leven in te stappen. Ik durfde te voelen, ervaren, proeven, ontmoeten, lijden, liefhebben. Ik had genoeg vertrouwen om het zelf te doen, en wist dat als het nodig was ze er zou zijn om me op te vangen.
Ook bij de eerste judowedstrijd van mijn oudste stond mijn moeder naast me. In de grote hal vol opgewonden jongetjes en meisjes stapte mijn oudste vol zelfvertrouwen de mat op. Ineens moest ik denken aan toen ik als achtjarige moest judoën. En hoe ik van mijn moeder vanaf de tribune een knipoog kreeg. Zo’n knipoog die ik nu aan mijn oudste gaf en die als haar hand in mijn nek voelde. Los genoeg om vol zelfvertrouwen de wedstrijd in te stappen, vast genoeg om te weten dat als het niet lukte het ook goed was. Zo’n zelfde knipoog die ik ook aan mijn jongste gaf toen ze moest afzwemmen. Mijn oudste won die wedstrijd. Mijn jongste zwom niet alleen door dat verdomde gat, maar legde de hele twintig meter van het zwembad onderwater af.

Vanochtend liet ik mijn jongste los, de wereld, haar wereld, in. Ze weet dat ze het zelf kan. En dat als het nodig is ik haar opvang. De grip van mijn hand in haar nek wordt langzaam minder, totdat het voor haar los genoeg voelt. Terwijl ik naar haar kijk als ze de straat uitloopt voel ik de hand van mijn moeder in mijn nek, zachtjes, als een vertrouwd steuntje. Door haar kan ik mijn kinderen vol vertrouwen laten gaan. Als het nodig is zal ze me ongetwijfeld opvangen. 

 

 



<<< Overzicht