Nu ik pubers heb mis ik mijn moeder meer dan ooit. Toen mijn kinderen klein waren had ik nog wel vertrouwen in mezelf als moeder, maar met pubers twijfel ik behoorlijk. Want juist je eigen moeder kan als geen ander die twijfel weghalen. 


Mijn oudste was een jaar of drie toen hij op een dag vroeg of hij mijn dooie moeder mocht zien. De dag ervoor had hij gevraagd waar mijn moeder eigenlijk was, en waarom hij haar nog nooit had gezien. Ik legde hem uit dat zij er niet meer was, en min of meer in mijn hart woonde. Maar omdat dat allemaal best abstract is voor zo’n kleintje, liet ik hem een foto zien van mijn moeder. De volgende ochtend prikte hij me met zijn kleine vingertjes wakker en stelde die vraag. Ik zei dat de foto op het kastje stond. Voor hem was het daarmee klaar. Er was een dooie moeder, of in zijn geval een dooie oma, en die kon hij bekijken op de foto op dat kastje. Punt. Terwijl mijn zoon een dino bij het lijstje zette, ‘Want dan is ze niet zo alleen’, barstte ik in tranen uit.

Mijn moeder overleed toen ik 28 jaar was, nu twintig jaar geleden. Ik had geen vaste baan, een huurhuisje in een straat die vaak werd afgezet met rood-wit politielint, had een soort van verkering en reisde als ik daar geld voor had heen en weer tussen allerlei continenten. Het was, kortom, een heel ander leven dan dat ik nu heb: man, twee pubers, koophuis, goed inkomen (maar ZZP’er dus niet die vaste baan) en een valse kat. Wat had ik het haar gegund om dit leven te zien. Want los van het feit dat ze graag oma wilde worden, iets dat ze al vanaf dat ik achttien ben tegen me zei, en er gelukkig dan ook altijd aan toevoegde: ‘Maar nu nog niet hoor’, heeft ze zich best veel zorgen gemaakt. Dat hele flierefluiter leventje vond ze maar zozo. Mijn leven is nu hoe zij dat zo graag had gezien. Maar ze is er niet meer om dat mee te maken. En dat doet pijn.

Moeder zijn zonder moeder is als een loodzware steen. Die soms stil ligt, en soms met volle vaart in de plas van Het Grote Gemis dendert. En waarna de druppels roekeloos in het rond spatten en net zo lang omhoog kruipen totdat het me bij de strot grijpt. Dat zijn de moment dat ik me realiseer dat mijn kinderen nooit zullen weten wie mijn moeder was, en dat mijn moeder nooit het leven dat ik nu heb zal kennen. Soms lukt het om dat verdriet weg te stoppen omdat het simpelweg te groot is. Uit zelfbescherming dwing ik mezelf te denken dat ik het toch echt zelf moet doen. Het was geweldig geweest als mijn moeder dit allemaal had kunnen meemaken, maar ze is er nu eenmaal niet meer. En zo rationeel als ik die gedachte probeer vast te houden, zo rationeel probeer ik ook om haar troostende armen minder stevig om me heen te voelen, haar stem minder hard in mijn hoofd te horen, haar mooie lach minder vaak in mijn gedachten te zien. Zoals zij mij ooit losliet, probeer ik haar ook los te laten.

Soms lukt dat, maar veel vaker lukt dat niet. Ik heb heel wat keren met tranen in mijn ogen op het schoolplein gestaan omdat ik als enige moeder tussen een heel schare oma’s die hun kleinkinderen kwamen ophalen stond. Of op kinderfeestjes als ik wanhopig met tien kinderen onder de vijf jaar spelletjes probeerde te spelen. En toen mijn kinderen hun zwemdiploma’s haalden stond ik onbedaarlijk te huilen omdat mijn moeder er niet was om ze aan te moedigen, foto’s te maken en na afloop een taart tevoorschijn toverde voor de geslaagde. En ja, ik heb een lieve schoonmoeder en mijn vader heeft een leuke vriendin, maar hoe lief en leuk ook, het is niet hetzelfde als je eigen moeder. De vanzelfsprekendheid, of eigenlijk het vertrouwen, waarmee je je kind even stalt bij je moeder om bij te tanken, of waarmee je moeder even de wasmand pakt om jouw goedje op te vouwen is er gewoon niet.

Nu mijn kinderen ouder zijn merk ik dat die steen in mijn maag eigenlijk continu in die plas ligt. Elke keer als ik naar mijn pubers kijk golft de pijn van het gemis door mijn lichaam. Het is zo ontzettend jammer dat ze er niet meer is, dat ze mijn kinderen niet kent. Mijn dochter lijkt op haar oma. Ze heeft de creativiteit en handigheid van mijn moeder, die haar veel beter dan ik had kunnen helpen met al haar diy-projecten. De nieuwsgierigheid die ik zie bij mijn zoon herken ik van mijn moeder. Ze zou dan ook veel beter dan ik al zijn waarom-antwoorden kunnen handelen. Maar los van het praktische had ik zo graag tegen haar aan willen leunen en ongegeneerd opscheppen én klagen over die pubers. Ik zou haar willen vertellen wat voor geweldige en bijzondere kleinkinderen ze heeft, hoe goed ze hun best doen op school, dat ze positief in het leven staan, dat ze haar gevoel voor humor hebben, dat ze net als zij empathisch zijn en haar liefde voor spelletjes spelen hebben geërfd. En ik zou daarna ook nog even losgaan over hoe lui ze kunnen zijn, hoe ze soms totaal niet luisteren, wat voor teringbende hun kamer is, dat ze alles vergeten en soms drie dagen niet douchen. En dat ze altijd, maar dan ook echt altijd, in discussie gaan. Zelfs over waarom je in de winter een dikke jas aan zou moeten doen. Ze zou lachen, nog een kop thee inschenken en mij een kus op mijn voorhoofd geven, zoals alleen moeders dat kunnen doen. En ze zou me geruststellen en zeggen dat alles goed zal komen.

En juist dat is wat ik misschien wel zo mis, dat gevoel dat zij me kon geven dat het allemaal wel goed komt. Hoe komt het goed als een puber niet meer naar school wil? Hoe komt het goed als ze roepen dat ze me haten? Hoe komt het goed als ze wéér hun portemonnee zijn verloren? Als ze gaan feesten en pas in de ochtend thuiskomen? Als vrienden belangrijker zijn dan een opleiding? Als ze dronken worden? Als ze stomme dingen doen? Als ze ruzie maken? Van huis weglopen? Komt het dan allemaal wel goed? Ik vraag me continu van alles af: doe ik het wel goed? Ben ik wel streng genoeg? Of te streng? Ben ik wel betrokken genoeg? Moet ik ze loslaten? Of juist niet? Hoe deed zij dat? Hoe ging zij om met mijn puber-zijn, want zo makkelijk was ik niet. Was zij nooit moe? Had ze geen zin om de deur achter zich dicht te trekken en te denken: zoek het allemaal maar uit? Twijfelde ze? Vond ze zichzelf een goede moeder? Hoe ouder mijn kinderen worden, hoe meer vragen ik voor haar heb. Toen mijn kinderen klein waren had ik meer zelfvertrouwen in mezelf als moeder dan nu ze puber zijn. Ik twijfel aan alles, maar met name of ik wel een goede moeder ben. Voor mijn gevoel doe ik maar wat. Maar is dat genoeg? Komt het dan allemaal wel goed?

Mijn moeder leerde me ooit: als je ergens mee zit moet je het antwoord zien te vinden, anders gaat het aan je vreten en wordt het groter dan nodig is. Ik vraag, enigszins schoorvoetend, aan mijn pubers hoe ze mij als moeder vinden. Eerst doen ze wat lacherig en roepen dat ze mij te streng vinden, te stom vinden dansen, te veel vinden drinken, en dat ik te ongeduldig en chaotisch ben, maar dan zijn ze stil en zeggen dat ze me ook een toffe moeder vinden. Want zo streng ben ik eigenlijk niet. En dat ongeduldige en chaotische is best wel lachen. En dan besluiten ze unaniem dat ze me toch wel gewoon lief vinden. Ineens moet ik aan mijn moeder denken. Een paar dagen voordat ze stierf zat ik aan haar bed. Ze kon bijna niet meer praten. Ik vertelde haar dat ik hoopte om op een dag moeder te worden, en dan net zo’n lieve moeder als haar wilde zijn. Ze lachte, en zei toen heel zachtjes: ‘Ik weet zeker dat dat allemaal goed komt lieverd’.

Dit artikel stond ook op Tishiergeenhotel


<<< Overzicht