Écht iets kunnen doen en veranderen: dat was de voornaamste reden voor Pia Dijkstra (63) om de publieke omroep te verruilen voor de politiek. Margriet sprak met de vrouw achter de onlangs aangenomen Donorwet.

Het is eind februari als we bij politica Pia Dijkstra aan de keukentafel aanschuiven. De filterkoffie loopt, haar middelste zoon smeert nog even snel een paar boterhammen, de hond Charlie, een Kerry Blue-terriër, loopt kwispelend van de keuken naar de woonkamer en weer terug. “Hij wil naar buiten,” legt Pia uit, “omdat hij gek genoeg geen water uit zijn bak drinkt, maar buiten uit de sloot. Of uit een emmer.” Een eigenwijze hond, beaamt ze. “Maar dat past goed bij dit gezin.”

Ze heeft net buiten op straat in de vrieskou in dunne lentekleren, zonder jas, geposeerd voor de fotograaf. Dat hoort erbij, zegt ze schouderophalend. En dan doet ze dat gewoon. Ook al vriest het flink. Het kenmerkt haar, ze houdt niet van half werk. Als ze ergens ja op heeft gezegd, geeft ze de volle honderd procent. Of dat nu een fotoshoot is voor bij een interview of een wetsvoorstel indienen in de Tweede Kamer. Een week eerder werd ‘haar’ nieuwe donorwet door de Eerste Kamer aangenomen. De wet waar ze zich jarenlang hard voor heeft gemaakt. Vanaf 2020 is iedereen automatisch donor, tenzij je bezwaar maakt.

Pia Dijkstra: ‘Ik heb het gevoel dat ik de afgelopen jaren ben geland’

Er is veel te doen geweest om die nieuwe donorwet, wat maakt het volgens u voor sommige mensen moeilijk?
“Deze wet gaat in de kern over emoties, het gaat over leven en dood en dat raakt mensen in hun ziel. Het vraagt ook om over je eigen dood en die van je dierbaren na te denken. Veel mensen vinden dat onaangenaam en moeilijk, maar het is wel belangrijk om te doen. Ik weet ook dat door dit wetsvoorstel in veel gezinnen het gesprek hierover heeft plaatsgevonden. Ook bij ons. Het is een onderwerp waarvan ik me bewust ben dat het goed is om met elkaar te bespreken en dat heb ik dan ook met mijn man en drie zonen gedaan. En ja, dan denk ik uiteraard ook na over mijn eigen dood en wat dat betekent voor de mensen die achterblijven.”

U wordt pitbull of haaibaai genoemd, past dat bij u?

“In beide herken ik mezelf niet echt, maar ik kan me voorstellen dat mensen me zien als een pitbull, als iemand die zich ergens in vastbijt.” Dan, als de hond langsloopt: “Ik ben misschien meer zoals Charlie. Terriërs zijn heel waakzaam. Ze zijn ook lief en leergierig, en hebben ook een fel karakter. Toen ik met de donorwet bezig was, was ik ervan overtuigd dat we dit moesten doen. Wilden we meer organen ter beschikking hebben dan moest er iets veranderen. Iedereen zegt nu: ‘Wat goed dat je hebt volgehouden’. Maar wat had ik anders moeten doen? Op geen enkel moment is stoppen een optie geweest. Ik ben niet van iets beginnen en dan halverwege afhaken. Dus ja, ik kan me wel ergens in vastbijten. Maar ik ben ook ontvankelijk en gevoelig voor tegenargumenten. Als je daarmee komt, ben ik niet zo halsstarrig dat ik niet wil luisteren en meebewegen.”

U zit op de plek waar u het verschil kunt maken.
“Het leuke van politiek is dat je zelf initiatieven kunt ontplooien en daarmee iets kunt bereiken. Na 35 jaar publieke omroep sprak dat me erg aan, het écht iets kunnen doen, kunnen veranderen. Daarom heb ik mezelf acht jaar geleden kandidaat gesteld. Veel mensen denken overigens dat ik ben gevraagd, maar ik heb gewoon gezegd dat ik dit wilde doen. Het was een bewuste keuze, een bewuste stap in mijn carrière ook. Of eigenlijk begon ik een heel nieuwe carrière. Of ik dat zou kunnen, en of het iets voor mij was, daar had ik eigenlijk niet eens zo goed over nagedacht. Ik ben gewoon begonnen en er redelijk onbevangen in gestapt. Het gaf me veel energie om een heel nieuwe stap te nemen en nieuwe dingen te leren. Achteraf gezien is dat een cadeautje als je op je 55ste die gelegenheid krijgt. Het mooie van de politiek is ook dat nooit iemand op enig moment heeft gevraagd: ben je daar niet te oud voor? Dat is gewoon niet aan de orde.”

Heeft acht jaar politiek u veranderd?
“Ik heb wel het gevoel dat ik de afgelopen jaren ben geland. Het heeft me geholpen om nog meer te zijn wie ik ben. Als nieuwslezer en journalist moest ik, terecht, neutraal zijn, maar in Den Haag moet ik mezelf laten zien: dit is wie ik ben en waar ik voor sta.”

Is politiek ook iets wat bij u aan de keukentafel wordt besproken?
“Nou en of. Er worden hier soms pittige discussies gevoerd. Dat heb ik ook wel van huis uit meegekregen. Toen ik nog thuis in Friesland woonde bij mijn ouders werd er heel vaak gediscussieerd over bijvoorbeeld het hoofdredactioneel commentaar in de Leeuwarder Courant. We werden uitgedaagd tot nadenken, een mening vormen. Dat geef ik mijn zonen, ze zijn nu 29, 25, en 23, ook mee, dat ‘prikkelen’. Waarom denk je dat? Hoe kom je tot die conclusie? Ze volgen wat ik doe, vinden het ook interessant. Al vinden ze het wel heel moeilijk als er nare dingen over me worden gezegd. Ik heb daar zelf minder moeite nee, maar zij kunnen er ontzettend verontwaardigd over zijn. Ook mijn vader, hij is negentig, vindt dat moeilijk. Ik zeg altijd tegen hem: ‘Lees het maar niet, dit hoort bij de politiek.’ Voor buitenstaanders is het lastig om dat onderscheid te maken.”

Lijkt u op uw vader?
“Ik denk dat ik best wel in zijn voetsporen ben getreden in de manier waarop ik naar de maatschappij kijk. Er voor een ander zijn, onbezoldigd werk doen. Ik heb naast mijn werk altijd vrijwilligerswerk gedaan. Mijn beide ouders waren actief in de kerk. Mijn moeder zat in het landelijk bestuur en mijn vader in de kerkenraad. Mijn moeder leeft niet meer, maar mijn vader is nog steeds heel druk met van alles. Zo is hij lid van de cliëntenraad in het huis waar hij woont. Dat houdt hem scherp. Hij woont ook nog zelfstandig. Toen hij naar een aanleunwoning verhuisde, stelde ik voor dat hij een logeerbed in zijn werkkamer neerzette. Als ik dan in Friesland moet zijn, kan ik bij hem slapen. Laatst was er een D66-congres in Leeuwarden en ben ik bij hem gaan logeren. Dat was heel knus en bijzonder, want wanneer logeer je als je mijn leeftijd hebt nog bij je ouders? Mijn jongens zijn ook dol op hem. Toen ik zo druk was en elk weekend moest werken, gingen zij naar hem toe. Dat ontroerde me, dat zij op hun manier ook op hem passen.”

Uw kinderen zijn volwassen, heeft u last van dat legenestsyndroom?
“Nee, helemaal niet. Dat klinkt misschien wat hard, maar zo is het niet. Het is iets wat ik al lang zag aankomen. Ik zat niet ineens in een heel leeg huis. En ze komen vaak genoeg aanwaaien of zelfs weer even een tijdje thuis wonen. En dat is heerlijk. Ze schuiven ook nog graag aan omdat Gerlach, mijn man, heel lekker kan koken en maakt wat zij lekker vinden. Het leuke is dat je op deze leeftijd gelijkwaardig met elkaar omgaat. Onze gesprekken zijn nu volwassen, het advies dat ze van ons krijgen weegt anders dan vroeger. Toen was het meer directief, en nu is het: wat kun je erover uitwisselen? Of ik me veel met hen bemoei? Nee. Ik ben zelf altijd heel erg gesteld geweest op mijn eigen leven, en wilde niet dat anderen zich daarmee bemoeiden. Dus ik ben ook niet de moeder die dat doet. Het is aan hen om hun eigen weg te vinden, maar als ze erom vragen help ik ze graag.”

U heeft altijd fulltime gewerkt, vaak hebben vrouwen daar een schuldgevoel over omdat ze denken dat ze hun gezin tekortdoen, herkent u dat?
“Nee. Want ik weet zeker dat ik niet zo’n leuke moeder was geweest als ik niet de dingen had kunnen doen die ik heb gedaan. Ik heb in die periode dat de kinderen klein waren weleens dat schuldgevoel gehad, hoor. Ik weet nog dat ik met de jongste aan het spelen was met autootjes en ondertussen allerlei lijstjes in mijn hoofd aan het maken was met de dingen die ik nog moest doen. Dat was het moment dat ik heel bewust dacht: dit is zo’n kostbare periode, ik moet er nu gewoon voor mijn kind zijn. Toen heb ik ook wel een aantal bestuurs-taken teruggedraaid. En ik heb me onttrokken aan het hele idee dat kinderen een volle agenda moeten hebben. Ze mochten sporten en op muziekles, en dat was het. Geen clubjes en andere dingen, en ze hoefden niet de allerlaatste mode aan. Dat gaf ook een heleboel lucht.”

Wat doet u nu om te ontspannen?
“Ik wandel elke dag met Charlie. Dat maakt mijn hoofd leeg. Net zoals lezen. Ik zit in een leesclub met vrouwen die voor hun werk veel beleidsstukken moeten lezen. We hebben onszelf ten doel gesteld om daarnaast ook boeken te lezen. Het is niet heel streng hoor, het moet wel leuk blijven. Om de zoveel weken komen we bij elkaar, zetten een pot thee of fles wijn op tafel en bespreken een boek. Het leuke van zo’n club is ook dat je nieuwe schrijvers ontdekt. Zo ben ik fan geworden van de Napolitaanse romans van Elena Ferrante, heerlijk om daarin weg te dromen. Vroeger las ik heel veel. Toen ik nog alleen was, had ik in elke kamer van mijn huisje wel een boek liggen. Maar nadat ik kinderen kreeg en een drukke baan was er gewoon geen tijd meer. Ja, in de vakantie. Maar als ik lees ben ik weg; waren we eindelijk samen en was ik nóg onbereikbaar voor iedereen. Nu is er gelukkig meer tijd en kan ik een hele zondag ongestoord op de bank liggen en lezen.”

En uw man zegt dan niet: zullen we samen iets leuks gaan doen?
“Ha ja, dat zegt hij zeker. En dat doen we ook wel natuurlijk. We zijn sowieso in een fase gekomen dat hij het leuk vindt om meer samen te doen. Hij is 71, en al negen jaar min of meer met pensioen. En hoewel hij bestuurlijk zeer actief is, heeft hij meer zeggenschap over zijn agenda dan ik. Ik ben wel aan het kijken hoe ik er wat meer balans in kan brengen. Dat is een uitdaging, want ik ben vaak heel intens bezig met de dingen die ik doe. Aan de andere kant begrijpt mijn man heel goed waarom ik dit werk doe. En de manier waarop. Hij heeft ook periodes in zijn leven gehad dat hij veel aan het werk was en minder bij kon dragen aan het gezin.”

Wat is volgens u een belangrijke factor in een relatie?
“Ik denk loyaal zijn aan elkaar. Dat je elkaar door dik en dun steunt. En dat je met elkaar kunt lachen. Gerlach is altijd in beweging, neemt me mee in allerlei grappige dingen. Hij verwondert me, en dat vind ik leuk, dat hij dat na al die jaren nog steeds kan. Ik denk ook dat we elkaar scherp houden. Het is ook heel intiem om zo lang met iemand samen te zijn. Na 25 jaar huwelijk kan ik me niet voorstellen dat we ooit zonder elkaar zullen zijn.”

Tekst | Saskia Smith
Fotografie | Iris Planting

Dit interview stond in Margriet 2018-16. Je kunt deze editie nabestellen via magazine.nl.

 



<<< Overzicht