Vandaag is het 21 jaar geleden dat mijn moeder stierf. Op een heldere, zonnige, ijskoude februariochtend in 1998.

Elk jaar op deze dag schud ik mijn herinneringen aan haar op. Sommige zijn diep weggestopt, andere komen bijna vanzelf tevoorschijn. De hele dag blijven ze als een kring van uitgeblazen rook om me heen hangen, zodat mijn moeder heel even weer dichtbij voelt en mijn gedachten haar handen worden die me vasthouden, haar kussen worden die mijn tranen wegblazen. Omringd door de rook aan gedachten doop ik een Maria-biscuitje in mijn thee. Ik zit zoals ik zo vaak met haar had gezeten. Aan tafel, beetje voorovergebogen, kijkend naar de hete thee die het koekje zacht maakt.

Een van mijn lievelingsherinneringen aan haar was toen ik klein was en we een spelletje deden: hoe lang kun je een koekje in je thee dopen voordat het breekt en het op de bodem van je kopje belandt? Een stroopwafel kun je relatief lang in het hete water onderdompelen, een bastogne en cafe noir ook, een kletskop helemaal niet. Een biscuitje zit er tussenin, terwijl een kaneelbiscuitje weer sterker is, maar een zandbiscuitje juist weer niet. Ze leerde me de kunst van het koekje net op tijd weer uit de hete thee halen, voordat het brak, maar ook voordat het zo zacht was dat je het niet meer op kon eten. Al die keren dat we met de koektrommel voor ons aan tafel zaten en de stoom van het hete theewater oploste in de stroom van onze woorden, zat ik dicht tegen haar aan en snoof haar zoete geur op terwijl ik de halfzacht geworden koekjes op mijn tong uiteen liet vallen.  

Later, toen ik soms het leven, míjn leven, niet meer snapte, leerde ze me dat al die dingen die op mijn pad kwamen, en nog zouden komen, allemaal koekjes zijn. Ze zijn krokant, kruimelig, gevuld, dun, dik, groot, klein, zacht en hard. Je doopt ze allemaal in je thee en wacht je dan tot het als een sompige massa uiteenvalt en naar de bodem dwarrelt waar het onberoerd blijft liggen en je er niks meer mee kunt doen of haal het net op tijd eruit zodat je je tanden er nog in kunt zetten? ‘Je bent soms niet de baas over welke koekjes je voorgeschoteld krijgt’, zei ze altijd. 'Maar je bepaalt wel zelf hoe lang je ze in je thee doopt.’ Ik snapte toen niet precies wat ze bedoelde, maar nu, vele koekjes verder, denk ik dat ik haar begrijp.

De laatste keer dat ik thee met haar dronk was een paar weken voordat ze stierf. Ik wist al dat ze niet meer beter zou worden. In de koektrommel zaten Maria-koekjes, die noemde ze altijd háár koekjes omdat ze voluit Maria heette. Zelf at ze niet, dat ging niet meer. Terwijl ik het ronde biscuitje in mijn thee doopte vroeg ik zachtjes, bijna in mezelf, hoe dat straks nou allemaal moest. Op de rand van haar bed legde ik mijn hoofd op haar schouder. Het koekje in mijn hand brak en gleed langzaam door het hete water naar beneden. Mijn kopje werd troebel, net zoals mijn gedachten. Hoe moest dat straks? Mijn moeder streek over mijn haar. ‘Sommige koekjes blijven voor altijd op de bodem van je hart liggen’, zei ze zachtjes. ‘En daar zal ik ook altijd zijn, dicht bij je.’ Daarna kuste ze de tranen van mijn wangen.

 



<<< Overzicht